De waterbeheerplannen zoals die nu voorliggen schieten tekort. Een goede waterkwaliteit wordt lang niet overal gehaald. De kritiek richt zich op vier hoofdpunten.
1. Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water vraagt van alle lidstaten dat zij in 2015 de doelstelling van een goede kwaliteit grond- en oppervlaktewater gehaald hebben. Volgens dezelfde richtlijn moeten de lidstaten in hun beheerplannen zelf bepalen hoe zij hun eigen werkgebied indelen en typeren en wat de omvang en de grenzen van deze waterlichamen zijn. Daarna moeten zij bepalen wat de milieudoelen hiervoor zijn en een programma met maatregelen opstellen. Sinds de inwerkingtreding van de KRW mag de kwaliteit van het water in ieder geval niet teruglopen en mag verdroging niet voorkomen.
De KRW plannen maken duidelijk dat anno 2009 de ecologische kwaliteit van beken, meren en kanalen grotendeels ontoereikend tot slecht is. De veranderingen aan het watersysteem en het teveel aan voedingsstoffen hebben in de afgelopen decennia duidelijk hun tol geëist.
De opgave waar waterbeheerders voor staan is om te zorgen voor helder en schoon, deels stromend water, met de planten en dieren die daarin thuishoren. Schoon water voegt ook veel toe aan de kwaliteiten van het Noorden. Hier liggen daarom geweldige kansen voor herstel van de ecologische en landschappelijke kwaliteit.
De Milieufederaties juichen alle stappen en maatregelen toe die in de nu voorliggende plannen zijn opgenomen ter verbetering van de waterkwaliteit. Aan de andere kant vinden zij dat de huidige plannen op een aantal fundamentele punten tekortschieten.
In de eerste plaats zijn de maatregelpakketten voor een goede kwaliteit van het oppervlaktewater doorgaans ontoereikend. De waterbeheerders vinden de hogere doelen niet haalbaar omdat de benodigde maatregelen kunnen leiden tot ‘significante’ schade aan maatschappelijke functies.
Daarnaast zijn veel herstelmaatregelen op de lange baan geschoven. Het blijkt dat waterbeheerders vinden dat de meeste doelen niet binnen de planperiode kunnen worden gerealiseerd, maar pas over 18 jaar. Het binnen de gestelde KRW termijn (2015) invoeren van die herstelmaatregelen leidt volgens de waterbeheerders tot ‘disproportionele’ kosten.
De waterbeheerders leggen daarbij niet uit wat precies met ‘significante’ schade wordt bedoeld en wat ‘disproportionele’ kosten zijn. Ook gaan de waterbeheerders in hun plannen niet in op de baten van de herstelmaatregelen en maken zij geen afweging over het maatschappelijk belang daarvan. Dit alles leidt ertoe dat het streven naar heldere doelen voor schoon, ecologisch gezond oppervlaktewater én duurzamere inrichting van het watersysteem is vertroebeld.
2. Waterberging
Om de bescherming tegen wateroverlast ook na 2015 te garanderen willen waterschappen op verschillende plaatsen water bovenstrooms vasthouden. De Milieufederaties zijn het daarmee eens, maar missen concrete actiepunten als het gaat om de tijdelijke opvang van water in infiltratiegebieden die voor het grondwater van belang zijn. Juist in die gebieden kan echt sprake zijn van “berging bovenstrooms”.
De Milieufederaties van Drenthe en Groningen maakten eerder al, in samenwerking met Staatsbosbeheer en op basis van gegevens van Instituut Alterra, een kaart met alle mogelijkheden voor het vasthouden van water. Uit het onderzoek van destijds bleek dat in gebieden rond de Hunze, Drentsche Aa en Ruiten Aa / Westerwoldse Aa veel mogelijkheden liggen om water vast te houden in perioden met veel neerslag.
Waterschappen zouden kunnen onderzoeken hoe het vasthouden van water in hoger gelegen natuurgebieden, en ook in landbouwgebieden, een bijdrage kan leveren aan de aanvulling van het grondwater en de retentie van regenwater in zeer regenrijke perioden.
3. Verdroging
De bestrijding van de verdroging in natuurgebieden valt niet alleen onder landelijke afspraken, maar ook onder KRW-afspraken. Doel is een grondwaterstand die voorkomt dat schade ontstaat aan de natuur. In de waterbeheerplannen worden de maatregelen ook op dit gebied teveel op de lange baan geschoven. Ook hier krijgen de plannen dus geen voldoende; zelfs niet als het gaat om de gebieden die juist speciale aandacht verdienen. Denk hierbij aan de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de Natura 2000-gebieden.
4. Beter waterbeheer vraagt ander ruimtegebruik
Uit alle waterbeheerplannen blijkt dat waterschappen terughoudend zijn bij de inzet van water als sturende factor in de ruimtelijke ordening. Zij laten zich nog vooral leiden door het bestaande grondgebruik, terwijl de uitdaging van een beter waterbeleid juist ook zit in ruimtelijke herindeling. De Milieufederaties vinden dat waterschappen hier minder voorzichtig in moeten zijn.
Toekomst
De conclusie kan niet anders zijn dan dat de huidige ontwerpbeheerplannen van waterbeheerders nog geen groene voldoende krijgen. De milieufederaties zullen zich blijven inzetten voor aanvullingen en aanscherpingen.
Hieronder vindt u de reacties op de verschillende waterbeheerplannen.