Verdroging is een acuut probleem in veel natuurgebieden. In Groningen is zo’n 74% van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) verdroogd.
Verdroging in Groningen
Uit de Nota “Nulmetingen en maatregelen Milieutekorten Provincie Groningen” (september 2006) blijkt dat in alle Groninger clusters van EHS-gebieden verdroging nog steeds een prominente rol speelt. In de gebieden Lutjegast/Dwardiep, Leekstermeer, Zuidlaardermeer en Westerwolde is volgens de nota Milieutekorten sprake van ernstige tot zeer ernstige verdroging. Ook grote delen van het EHS-gebied Midden-Groningen zijn volgens de nota ernstig verdroogd. In het Reitdiepdal is sprake van matige verdroging. In de provincie Groningen is 72 % van de EHS ernstig en 2% van de EHS matig verdroogd.
Wat is verdroging?
Een natuurgebied is verdroogd wanneer de grondwaterstand in dat gebied te laag is voor de natuurfunctie die aan het gebied is toegekend.
In veel gevallen wordt verdroging niet veroorzaakt door een vermindering in de absolute hoeveelheid water, maar door veranderingen in watertoevoer en watersamenstelling. Verdroging kan daarmee een gevolg zijn van te lage grondwaterstanden, van te lage waterstanden in sloten en watergangen en/of te weinig kwel. De oorzaak van lage waterstanden in natuurgebieden is vaak gelegen in ontwatering van omringend landbouwgebied of van aangrenzend stedelijk gebied. De versnipperde ligging waar veel natuurterreinen mee te maken hebben - bijvoorbeeld door de aanwezigheid van landbouwenclaves - draagt aan de verdrogingsproblematiek nog eens bij.
Gevolgen van verdroging
In verdroogde gebieden is de oorspronkelijke verscheidenheid aan planten (biodiversiteit) verdwenen. Planten met minder lange wortels kunnen het lagere grondwater niet meer bereiken. Ook de samenstelling van het water kan veranderd zijn, waardoor bepaalde plantensoorten zich er minder thuis voelen. Bijzondere soorten die gevoelig zijn voor dergelijke veranderingen, zijn orchideeën, parnassia en zonnedauw. Zij worden verdrongen door minder gevoelige soorten als riet, pijpestrootje en brandnetels.
Taskforce Verdroging
Vanwege de beperkte resultaten van de verdrogingsbestrijding is in 2005 de Taskforce Verdroging geïnstalleerd. Die Taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van de provincies, rijksdiensten, waterschappen, natuurbeschermingsorganisaties en de LTO. De Taskforce heeft in 2006 een advies over de aanpak van verdroging aan de minister van LNV uitgebracht. In het advies van de Taskforce komt naar voren dat verdrogingsbestrijding niet vrijblijvend zou moeten zijn. De Taskforce adviseert daarom haalbare, concrete en afrekenbare prestaties vast te leggen. De aanpak zou moeten worden geconcentreerd op de zgn. TOP-gebieden. Volgens de Taskforce moet er sprake zijn van een gebiedsgerichte integrale aanpak die bovendien niet vrijblijvend en vrijwillig is, maar wel billijk en rechtszeker. De Taskforce adviseert een sterker inzetten op regiestructuren. In uiterste gevallen moet grondverwerving ook door onteigening toegepast kunnen worden. De Provinciale Milieufederaties ondersteunen het advies van de Taskforce Verdroging.
Nieuwe aanpak verdroging
Het advies van de Taskforce verdroging heeft in bestuurlijk Nederland ingang gevonden. Echter ook ontwikkelingen, zoals verplichtingen van de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000, hebben het noodzakelijk gemaakt de verdrogingsdoelstelling opnieuw te bezien. In de Decembernota 2006 is de oude verdrogingsdoelstelling vervangen door afspraken over de tussen rijk en provincies overeengekomen TOP-lijst van verdroogde gebieden die als eerste worden aangepakt. Alle aandacht concentreert zich de komende jaren op deze gebieden. In het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) komt geld beschikbaar voor het herstel van natuurgebieden, inclusief verdrogingsbestrijding. Voor de periode 2007-2013 zal het rijk 160 miljoen euro uittrekken voor de verdrogingsaanpak. De provincies zijn vrij om dat geld naar eigen inzicht in te zetten.
Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime
Ook het GGOR (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime) speelt een rol in verdrogingsbestijding. Het proces rond vaststelling van het GGOR loopt in de provincies volop. Het GGOR moet een beschrijving geven van een dagelijks waterhuishoudkundig regime behorende bij een bepaalde (gebruiks)functie. Het gaat er daarbij om dat de aanwezige functies zo goed mogelijk, in onderlinge samenhang, worden bediend. Hierbij is dus sprake van een belangenafweging. In eerste instantie zullen de waterschappen deze belangenafweging maken, waarna de provincie uiteindelijke het GGOR moet vaststellen. Voor de Milieufederaties staat uiteraard voorop dat het GGOR bijdraagt aan vernatting van de natuur. Water moet langer worden vastgehouden, waarbij peilen omhoog gaan. De Milieufederaties zetten erop in dat het GGOR integraal wordt opgepakt met KRW, WB21 en ook Natura2000, om er zo voor te zorgen dat een gebied in één keer goed wordt ingericht, met het daarbij behorende grond- en oppervlaktewaterbeheer.